Een goed geslagen opslag die direct een punt oplevert, zonder dat de ontvanger de bal nog kan aanraken
Gedeelte van het veld tussen servicelijn en baselijn.
Achterwaartse beweging met het racket als voorbereiding van de slag.
Geeft de luchtdruk in een tennisbal aan; de luchtdruk beïnvloedt de hoogte van de stuit van een bal. Een goede tennisbal stuit meer dan 53 inches hoog en minder dan 58 inches, indien deze wordt losgelaten vanaf een hoogte van 100 inches.
NB: 1 inch = 2,54 centimeter.
Betekent een gelijke stand; de term "30-all" betekent dat de stand 30-30 is.
Speler die zowel vanaf de baseline, als aanvallend goed voor de dag komt.
Een bal die men zodanig speelt dat deze de mogelijkheid geeft om zelf naar het net op te lopen; wordt meestal diep in het veld van de tegenstander gespeeld.
De Association of Tennis Professionals; Bond van de Internationale (heren) tennissers; organisator van de ATP Tour.
Het eerste Grand Slam-tournooi in elk kalenderjaar.
Grip, bepaalde wijze van vasthouden van het racket. Zit tussen de "Eastern" en de Continental" grip in; is ontwikkeld in Australië voor het service-and-volley spel op grasbanen.